De andere kant
Op kamp rook de slaapzaal naar regenjassen.
En naar chips die iemand al had geopend.
Ik had het bovenste bed gekozen.
Dat leek thuis een goed idee.
Nu moest ik via een wiebeltrap naar mijn eigen kussen.
Na het avondspel was iedereen druk.
Zaklampen gingen aan en uit.
Iemand vertelde dat er muizen waren.
Iemand anders zei dat het een grap was.
Ik lachte mee.
Mijn lach kwam later dan die van de rest.
Toen het licht uitging, werd de zaal groter.
Ik hoorde jassen druppen.
Ik hoorde iemand ademen door zijn neus.
Ik dacht aan mijn kamer.
Aan het geluid van de verwarming.
Aan mama die beneden een glas water pakte.
Mijn keel deed raar.
Niet huilen, dacht ik.
Dat hielp niet.
Ik draaide naar de muur.
Er kwam één traan.
Daarna nog een.
Niemand zei iets.
Misschien sliep iedereen.
Misschien deden ze alsof.
De volgende ochtend klom ik als eerste uit bed.
Mijn kussen was droog aan de andere kant.
Klaar.
Leesmoment
May 22Bewaard op je plank.
