De draak komt terug
De groene schub lag al twee nachten onder mijn kussen.
Elke avond keek ik. Die was er nog steeds. Geen gewone steen. Echt schub.
Gisteren was de draak niet gekomen. Vrij, had hij gezegd.
Vanavond wachtte ik. Met mijn ogen open.
Na elven hoorde ik iets op het dak. Krak. Niet een tak. Iets zwaarders.
Ik trok de deken weg. Ik schoof het raam open.
De draak zat op de dakgoot.
"Hoi", zei de draak.
"Hoi", zei ik.
Ik klom op zijn rug. Zijn schubben waren nog steeds glad.
"Vanavond ietsje hoger?" vroeg ik.
De draak dacht na.
"Boom-hoog", zei de draak. "Niet hoger."
We vlogen langs de bomen in onze straat. De takken streken langs mijn schoenen.
In een boom zat een kat. De kat keek niet bang. De kat keek alleen rustig.
We vlogen langs het pleintje. Drie lampen. Niemand op het pleintje.
We vlogen langs het schoolplein. Het hek was dicht.
De draak zei: "Ik wilde je iets laten zien."
We landden op het dak van de school.
De draak wees met zijn neus naar het noorden.
In de verte was een licht. Klein. Knipperend.
"Wat is dat?" vroeg ik.
"Een vuurtoren", zei de draak. "Voor schepen."
Ik keek lang.
"Volgende keer gaan we daarheen?" vroeg ik.
De draak knikte.
We vlogen terug. Rustig.
In mijn bed legde ik de schub onder het kussen. Voor nog een nacht.

