Naar de vuurtoren
Vannacht zou ik naar de vuurtoren.
De groene schub lag onder mijn kussen. Drie nachten al. Die voelde nog steeds koel.
Ik wachtte met mijn ogen open. Mama had de ganglamp uitgedaan.
Na elven hoorde ik krak op het dak.
Ik schoof het raam open.
De draak zat op de dakgoot. Met zijn rode kuif iets platter dan anders. Alsof hij ook had gewacht.
"Klaar?" vroeg de draak.
"Klaar", zei ik.
Ik klom op zijn rug.
We vlogen. Boom-hoog. Hij keek niet naar beneden.
We gingen naar het noorden.
Eerst de straten. Dan de weilanden achter het dorp. Dan een dijk. We volgden de dijk lang.
In de verte werd het licht groter. Eerst klein. Toen flink. Toen heel groot.
De vuurtoren was wit. Met een rode rand. Die stond op een rotsje aan het einde van de dijk.
We landden op het dak van de vuurtoren. Het was glad. De draak hield zich vast met zijn klauwen.
De zee lag voor ons. Strepen golven. Veel meer wit dan ik dacht.
"Ben je nu blij?" vroeg de draak.
"Heel blij", zei ik.
Op de balustrade onder ons zat een meeuw. Hij keek niet bang. Hij keek naar de zee.
Het licht draaide. Een keer. Twee keer.
We bleven lang zitten.
"Tijd", zei de draak.
We vlogen terug.
Bij mijn raam stapte ik af. In mijn hand had ik iets nieuws. Een gladde steen, met een gaatje in het midden. Ik weet niet wanneer ik die had opgepakt.
Ik legde de steen onder mijn kussen, naast de schub.
Voor de volgende nacht.
Klaar.
Leesmoment
May 22Bewaard op je plank.
