De draak in mijn droom
In mijn droom zat een draak op het dak.
Niet groot.
Zo groot als een grote hond.
Met groene schubben en een rode kuif.
Ik klom uit het raam. Mijn pyjama woei een beetje.
De draak keek niet bang. Hij keek nieuwsgierig.
"Mag ik op je rug?" vroeg ik.
De draak knikte. Maar hij zei: "Niet hoog. Ik ben bang voor hoog."
Dat was raar. Een draak die bang is voor hoog.
Ik klom op zijn rug.
Zijn schubben waren glad.
We vlogen.
Maar laag.
Net boven de tuin.
We keken in mama's slaapkamer. Mama sliep. Met haar mond een beetje open.
We vlogen over de buurt.
Boven de bakker.
Boven het pleintje.
Boven de school.
De draak deed het rustig aan. Soms ging hij even op een dak zitten om uit te rusten.
Na een tijd zei de draak: "Ik moet terug."
We vlogen terug naar mijn raam.
"Kom je nog terug?" vroeg ik.
De draak knikte.
"Maar morgen niet", zei de draak. "Morgen heb ik vrij."
Ik klom van zijn rug.
Door het raam.
Mijn bed in.
In de ochtend werd ik wakker. Mijn pyjama was niet kreukerig. Mijn bed was warm.
Maar op het kussen lag een groene schub.
Klein.
Ik legde de schub onder het kussen voor de volgende nacht.

