De avond voor de toets
Om half negen zei mama dat ik moest slapen.
Dat zei ze niet streng. Ze zei het alsof slapen een knop was. Alsof ik mijn hoofd kon uitzetten, net als de lamp op mijn bureau.
Ik deed mijn pyjamabroek aan. Ik poetste mijn tanden langer dan normaal, omdat de badkamer nog licht had. In de spiegel zag ik schuim in mijn mondhoeken. Het leek alsof ik al aan een antwoord bezig was.
Beneden praatten papa en mama zacht.
Niet zacht genoeg.
Ik hoorde het woord brugklas. Daarna hoorde ik mijn naam. Daarna hoorde ik niks, want papa zette de waterkoker aan. Dat was gemeen van die waterkoker. Hij wist precies wanneer hij moest sissen.
Ik ging in bed liggen met mijn gezicht naar de muur. Op mijn prikbord hing het formulier van de open dagen. Drie scholen. Drie logo's. Drie keer een foto van kinderen die blijkbaar altijd lachen naast kluisjes.
Ik had nog nooit iemand zo zien lachen naast een kluisje.
Morgen begon de toetsweek. De juf zei dat het geen oordeel was. Papa zei dat toetsen alleen maar meten wat je al kunt. Mama zei dat ik gewoon mezelf moest blijven.
Dat waren drie zinnen die waarschijnlijk klopten.
Ze hielpen ongeveer net zoveel als een paraplu in je tas wanneer het al regent.
Ik draaide me om. Mijn wekker gaf 21:06 aan. De dubbele punt knipperde alsof hij ook zenuwachtig was.
Ik probeerde aan andere dingen te denken. Aan de hond van de buren die altijd blaft tegen scooters. Aan mijn gymtas, die nog beneden lag. Aan het vakje op het antwoordblad waarin je je geboortedatum moet invullen. Daar kun je al bijna geen fout maken. Bijna.
Beneden lachte mama kort. Papa zei iets met advies. Ik wist niet welk advies. Schooladvies, denk ik. Of advies over thee. Volwassenen gebruiken voor allebei dezelfde stem.
Ik trok mijn dekbed tot mijn kin.
In mijn hoofd kwam een som voorbij. Daarna een tekst met veel alinea's. Daarna een plaatje van een grafiek. Daarna de gedachte dat ik morgen misschien ineens niets meer wist. Niet eens tafels. Niet eens hoe je je naam schrijft.
Dat was onzin.
Maar onzin kan heel goed blijven liggen in een bed.
Ik stond op en liep naar het raam. Buiten stond de straatlantaarn aan. Op de stoep lag een nat blaadje vastgeplakt aan een tegel. Een auto reed voorbij zonder te weten dat morgen de toetsweek begon.
Dat vond ik irritant.
Ook een beetje fijn.
De auto verdween om de hoek. Ik stelde me voor dat de bestuurder morgen gewoon brood ging kopen. Geen toetsboekje, geen advies, geen open dag. Alleen brood. Dat was bijna beledigend rustig.
Ik ging weer liggen. De trap kraakte. Mama kwam boven. Ze bleef bij mijn deur staan.
"Slaap je?" vroeg ze.
Dat is de slechtste vraag aan iemand die niet slaapt.
"Bijna", zei ik.
Mama deed de deur een stukje open. Haar gezicht kwam in de streep licht van de gang.
"We praten beneden te veel, he?"
Ik zei niets. Dat was niet omdat ik boos was. Of ja, ook een beetje. Ik was boos dat zij woorden hadden voor morgen en ik alleen een knoop.
"Sorry", zei mama.
Ze kwam niet binnen. Dat was goed. Als ze binnenkwam, moest ik misschien huilen. Als ze wegbleef, misschien ook. Mijn lichaam was blijkbaar een slecht georganiseerd schoolproject.
"Het is niet alleen morgen", zei ik.
Mama knikte. Niet snel. Niet alsof ze het meteen wilde repareren.
"Nee", zei ze.
Dat was alles.
Geen zin over je best doen. Geen zin over later. Geen zin over dat ik hoe dan ook geweldig was. Geweldig zijn is ook best vermoeiend, als iemand het vlak voor een toets zegt.
Mama deed de deur weer bijna dicht. De streep licht werd dunner.
"Ik zet je gymtas alvast bij de kapstok", zei ze.
"Dank je."
Daarna hoorde ik haar naar beneden gaan. De waterkoker bleef stil. Papa ook.
Ik keek naar de wekker. 21:19. De dubbele punt knipperde nog steeds.
Morgen zou ik vragen maken. Niet mijn hele leven. Alleen vragen.
Dat wist ik.
Ik geloofde het nog niet helemaal.
Maar mijn gymtas stond straks bij de kapstok. Dat was tenminste één ding dat morgen niet ook nog hoefde.
Klaar.
Leesmoment
May 22Bewaard op je plank.
