Schatzoeken met groente
Bij Venlo gingen we asperges steken.
Papa zei dat dit een echt Limburgs uitje was.
Ik keek naar het veld.
Het zag eruit als lange ruggen zand met plastic erover. Niet als een uitje. Meer als een plek waar de aarde onder dekens lag.
De boer heette Rien. Hij had een pet op en handen waar zand al thuis op was.
"Asperges houden van donker", zei hij. "Als ze licht zien, worden ze wakker."
Ik vond dat mooi.
Ook een beetje onhandig. Groente die wakker wordt, klinkt alsof je er eerst goedemorgen tegen moet zeggen.
Rien tilde een stuk plastic op. Daaronder was de grond warm en donker. Hij wees naar een klein scheurtje in het zand.
"Daar zit er een."
Ik zag niets.
Papa ook niet, maar hij deed alsof hij bijna iets zag.
Rien gaf mij een lang mes met een houten handvat. Niet om te zwaaien. Dat zei hij er meteen bij. Je moest voorzichtig langs de asperge naar beneden steken.
Ik ging op mijn knieën zitten.
De grond was zacht aan de bovenkant. Daaronder werd hij steviger. Mijn vingers werden bruin. Er kwam zand onder mijn nagels. Niet een beetje. Een hele verzameling.
Ik voelde iets hards.
"Ik denk dat ik die heb", zei ik.
"Rustig", zei Rien.
Volwassenen zeggen vaak rustig als iets juist spannend wordt.
Ik stak het mes naast de asperge. Papa hield het plastic omhoog. De zon scheen op mijn nek. Er zoemde een vlieg bij mijn oor, alsof hij commentaar gaf.
Toen trok ik.
Er kwam iets wits uit de grond.
Lang.
Dun.
Met zand eraan.
Mijn eerste asperge.
Die was krom.
Niet heel krom. Wel duidelijk niet van plan om in een reclame te staan.
"Mooie", zei Rien.
Ik keek of hij dat meende.
Hij meende het gewoon. Boeren kunnen blijkbaar krom mooi vinden.
Papa maakte een foto. Ik hield de asperge omhoog als een prijs. Daarna gleed er modder van mijn hand op mijn broek.
Dat was minder prijs.
We staken er nog vijf. Een brak af. Eentje vond ik pas toen Rien zei waar ik moest kijken. Eentje kwam zo netjes uit de grond dat papa zei dat hij er bijna applaus voor wilde geven.
Tussendoor vertelde Rien dat je de asperge niet ziet, maar bijna moet raden. Je kijkt naar barstjes in de aarde. Naar een bobbel. Naar iets dat net anders ligt dan de rest.
Ik vond dat het leek op schatzoeken, maar dan met groente.
Papa vond dat een goede zin. Hij zei dat hij die thuis ging gebruiken.
"Niet bij elke maaltijd", zei ik.
We liepen ook even naar de rand van het veld. Daar zag je in de verte de Maas glimmen. Rien wees die kant op en zei dat de grond hier goed was, maar eigenwijs.
Dat snapte ik. Mijn schoenen waren inmiddels ook eigenwijs. Ze wilden allebei blijven waar ze stonden.
Bij de laatste rij zakte mijn schoen weg in een nat stuk grond. Er kwam een geluid uit dat niet netjes was. Papa lachte. Ik trok mijn voet los en bijna mijn sok mee.
Rien zei dat modder hier ook gewoon meedoet.
Aan het eind stonden mijn schoenen zwaar van de modder.
Rien gaf ons een zak asperges mee.
"Vanavond eten", zei papa.
Ik keek naar de zak. Daarin lagen ze stil. Alsof ze niets hadden meegemaakt.
Maar ik wist beter.
Ik had ze uit het donker gehaald.
En het donker zat nog onder mijn nagels.
Klaar.
Leesmoment
May 22Bewaard op je plank.
