Het lichtje op de dijk
Vanaf de dijk kon je drie dingen zien: het dorp, de rivier en de lucht die langzaam oranje werd.
Iris en ik mochten tot de lantaarnpaal lopen. Niet verder, had mijn vader gezegd. De lantaarnpaal stond bij het bankje waar iemand altijd zonnebloempitten at. Er lagen schilletjes tussen de planken.
We waren bijna bij het bankje toen we lager op de dijk een lichtje zagen.
Het was geen fietslicht. Daarvoor bewoog het te langzaam. Het was ook geen zaklamp, want het scheen niet vooruit. Het wiegde alleen een beetje, alsof iemand heel voorzichtig liep.
"Daar", fluisterde Iris.
Beneden liep een vrouw met een hond. Aan de halsband hing een lampje, maar dat was groen. Het andere lichtje was warm geel.
We bleven bij de lantaarnpaal staan. Dat was de afspraak. Ik riep: "Bent u iets kwijt?"
De vrouw keek omhoog. "Een lampion", riep ze terug. "Van mijn kleinzoon. Hij is net weggewaaid."
Toen zagen we het gele lichtje opnieuw. Het zat vast in het riet, vlak bij het water. Het papier ritselde in de wind.
Wij wezen. De hond blafte een keer. De vrouw liep erheen en pakte de lampion bij het stokje.
Later kwam ze naar boven. Ze liet hem even zien. Op het papier stond een kromme maan.
"Jullie zijn goede wachters", zei ze.
Op de terugweg keek Iris naar de lantaarnpaal.
"Morgen weer tot hier?"
Ik knikte. Wachten kon ook een avontuur zijn.
Klaar.
Leesmoment
May 22Bewaard op je plank.
