De polderronde
Mama had gezegd dat ik een ronde mocht. Tien kilometer. Door de polder.
Ik kende de weg. We hadden die twee keer samen gefietst.
Ik pakte een fles water in mijn rugzak. Ik nam mijn telefoon mee. Mama zei: "Bel als er iets is."
Ik fietste weg. Het was twee uur. Zomer. Niet te warm.
De polder was open. Veel velden. Weinig bomen.
Koeien.
Ik fietste langs een gracht. Een vis sprong eruit. Ik zag hem net.
Na twintig minuten was ik halverwege.
Ik stopte bij een bankje.
Ik dronk water.
Aan de overkant van de gracht stond een molen. Niet draaiend.
Ik telde de wieken. Vier.
Ik pakte mijn telefoon. Ik maakte een foto.
Niet voor mama. Voor mezelf.
Ik fietste door.
De volgende vijf kilometer waren makkelijker. Ik kende dat stuk beter.
Bij de laatste afslag stak ik over. Geen verkeer.
Thuis stond mama in de tuin.
"Goed?"
"Ja."
"Hoe was het?"
Ik dacht na.
"Stiller."
Mama knikte.
Ik zette de fiets in de schuur.
Ik ging naar binnen. Ik dronk nog water.
De foto van de molen had ik nog.
Ik zou volgende keer dezelfde ronde doen. Of een andere.
Maar deze had ik gehaald.
Klaar.
Leesmoment
May 22Bewaard op je plank.
