De eerste keer alleen
Acht weken voor de meivakantie zei mijn moeder: 'Deze keer ga je alleen met de trein naar oma.'
Ik knikte alsof ik dat al wist. Eigenlijk wist ik het niet. Maar haar manier van zeggen liet weinig ruimte voor schrik.
De eerste twee weken vond ik het niets. De derde week vond ik het een beetje. De vierde week vond ik het niets meer. De vijfde week vond ik het toch een beetje. Zo schommelde dat tot de dag zelf.
Op de ochtend van vertrek kwam mijn moeder met me mee naar het station. Mijn kaartje had ze met mij samen geboekt, op haar laptop, een week eerder. Ik wist welke trein. Ik wist welk perron. Ik wist hoe lang de overstap was, en op welk perron de tweede trein stond, en hoe laat ik moest aankomen.
Ik had een tas met een boek, een fles water, een appel, en een boterham in folie.
Bij de roltrap naar het perron vroeg mijn moeder of ze nog even mee naar boven mocht.
Ik zei: 'Liever niet.'
Mijn moeder knikte. Niet boos. Ze gaf me een arm en zei: 'Bel me als je iets nodig hebt. Bel me ook als je niets nodig hebt en gewoon zin hebt om iets te zeggen. Allebei mag.'
Daarna liep ze terug naar het parkeerterrein.
Ik ging naar boven.
De eerste trein was rustig. Ik vond een raamplek. Ik haalde mijn boek tevoorschijn maar las niet meteen. Ik keek naar wat er voorbijkwam. Velden. Een stuk water. Een dorp met een kerktoren waar de wijzers van de klok niet allebei zichtbaar waren door de afstand.
Iemand twee plekken verderop sliep al, met haar wang tegen het raam. Ik dacht: zij had dit eerder gedaan. Ik dacht: ik hoef nog niet te slapen, ik hoef niet eens echt iets.
Na ongeveer een uur kwam de stem die de stations omroept. Mijn overstapstation. Ik pakte mijn tas. Ik wist al uit welke deur ik moest.
Op het perron keek ik naar de borden. Spoor zes. Twee minuten. Geen tijd om bang te zijn. Geen tijd om niet bang te zijn.
Ik liep naar spoor zes. De trein stond er al. Ik stapte in.
De tweede trein was drukker. Iemand kwam naast me zitten. Een vrouw met een tas met een rits die niet helemaal dichtging. Ze belde iemand en zei iets dat ik niet hoorde, en daarna las ze een boek. Niemand sprak mij aan. Dat was prima.
Ik dacht: dit had ik me erger voorgesteld. Of misschien minder erg. Ik weet niet wat ik me had voorgesteld. Misschien zijn dingen vooraf nooit precies hoe ze worden.
Ik at mijn boterham. Ik dronk water. Ik las een hoofdstuk en daarna keek ik weer naar buiten. Ik telde drie kerktorens.
Oma stond op haar perron. Ze zwaaide. Niet groot. Net groot genoeg.
Ik stapte uit. Ik liep naar haar toe.
Oma zei: 'En, hoe was het?'
Ik zei: 'Gewoon.'
Ik wist dat 'gewoon' niet alles was. Maar 'gewoon' was precies zoveel als ik op dat moment kwijt wilde.
In haar keuken kreeg ik thee. Niet uit een mok van haar maar uit een glas met een metalen ring eromheen, want zo doet ze dat soms in de zomer. Ik zat op haar krukje bij het raam, naar haar tuin. Een merel sprong tussen twee struiken. Het rook naar uien en dille en oude kookboeken.
Ik dacht: ik heb dit gedaan.
Ik dacht: ik heb dit zelf gedaan.
Dat hoefde ik niet uit te leggen aan oma. Oma had het zelf ooit ook gedaan. Misschien op een dag in 1955, met een veel oudere trein, met heel andere kerktorens.
Ik dronk mijn thee.
Later belde ik mijn moeder, niet omdat ik iets nodig had, gewoon zoals ze had voorgesteld.
Ik zei: 'Ik ben er. Het was gewoon.'
Mijn moeder zei: 'Ik weet het.'
Dat was alles wat ze zei.
Ik dacht dat ze precies wist wat 'gewoon' deze keer betekende.
Misschien zal ik haar dat nog een keer vragen. Misschien niet. Voor nu vond ik het mooi dat zij dat ook wist, zonder dat ik het had hoeven uitleggen.
Klaar.
Leesmoment
May 22Bewaard op je plank.
