De stilte in de grot
Onze klas ging op excursie naar de grot bij Maastricht. Het was een georganiseerde rondleiding. Onze juf had vooraf gezegd dat we ons moesten gedragen, maar dat had ze ook bij de wormenfarm gezegd, en daar had niemand zich misdragen, behalve toen Joep in de wormen wilde knijpen.
De gids heette Bas. Hij gaf ons elk een helm met een lampje. Het lampje was zwak. Bas zei dat dat de bedoeling was.
"In de grot is het anders donker dan thuis", zei Bas. "Daar wennen jullie aan."
We gingen naar binnen door een laag deurtje dat in de heuvel zat. Achter de deur was het meteen koel, en dan kouder, en dan koud-zonder-eind.
De gangen waren smaller dan ik had verwacht. Soms moest je je hoofd omlaag doen. De wanden waren kalkachtig en hadden vlakken die op vissen leken, hoewel het geen vissen waren.
We liepen achter Bas aan. Niet veel kinderen praatten. Sommige fluisterden. Joep deed eerst nog raar. Daarna was hij ook stil.
Ik had verwacht dat de grot eng zou zijn. Het was niet eng. Het was iets anders dat ik niet meteen kon benoemen.
Na een tijd kwam Bas bij een grote ruimte. Hij vroeg ons om in een cirkel te gaan staan. Hij vroeg ons om onze lampjes uit te doen.
"Allemaal tegelijk?" vroeg iemand.
"Ja", zei Bas. "Eerst tellen we tot drie."
We telden tot drie.
De lampjes gingen uit.
Het was donker. Niet thuis-donker. Niet zwembad-donker. Het was een soort donker waarin je je eigen ogen niet meer voelde, omdat zij niets meer hadden om mee te kijken.
Bas zei dat we even moesten luisteren.
In het begin hoorde ik mijn eigen ademhaling. Daarna iemand naast me die slikte. Daarna een druppel ergens die viel, traag, alsof die niet zeker was waar die heen ging.
Niemand zei iets.
Ik wist niet hoe lang we daar stonden. Misschien een minuut. Misschien drie.
Bas zei: "Goed. Lampjes weer aan."
We deden onze lampjes weer aan. De grot was er weer. Bas was er weer. Iedereen had hetzelfde gezicht: niet bang, niet vrolijk, een soort ergens-tussenin gezicht.
We liepen verder. Bas vertelde over hoe lang het had geduurd voordat zo'n grot was ontstaan. Honderden jaren. Soms miljoenen jaren.
Ik dacht: dit was hier al voordat ik bestond. Dit was hier al voordat mijn ouders bestonden. Dit zou hier nog zijn, lang nadat wij er allemaal niet meer waren.
Dat had ik nooit eerder zo concreet gedacht.
Maar het was niet vervelend om dat te denken. Het was eerder een soort opluchting. Sommige dingen gaan langer mee dan jij. Dat is geruststellend, op een rare manier.
Na de rondleiding stonden we buiten in het licht. Het licht was bijna te veel. Iedereen knipperde.
In de bus terug zei niemand veel. Joep zat naast me. Hij keek niet op zijn telefoon.
We waren niet stil omdat we zwijgen moesten. We waren stil omdat we in ons hoofd nog iets aan het doen waren.
Klaar.
Leesmoment
May 22Bewaard op je plank.
