Het steentje met het gaatje
De volgende ochtend was de schelp er nog.
Sanne keek in de plastic emmer voordat de slippers aan gingen. De schelp lag naast het blad en de steentjes. Aan de binnenkant zat nog steeds een vleug rood.
Op het strand was de zee iets verder weg dan gisteren. Er lag een natte streep zand waar het water had gelegen.
Sanne liep langs die streep. Mama zat op het kleed en schilde een appel met een klein mesje.
"Niet te dicht bij het water", zei mama.
Sanne knikte en bleef bij de natte streep.
Daar lag iets groens.
Eerst leek het een stukje glas. Maar het voelde niet scherp. Het was een glad steentje, groen als een fles in de zon. Middenin zat een rond gaatje.
Sanne hield het steentje omhoog. Door het gaatje paste precies een stukje lucht.
Mama kwam kijken. "Mooi", zei ze. "Dat heeft lang in de zee gelegen."
Sanne legde het steentje in de emmer. Het tikte zacht tegen de schelp.
Tik.
De schelp bleef liggen. Het steentje bleef ook liggen.
Sanne droeg de emmer met twee handen, heel vlak, terug naar het kleed.
Toen de appel op was, keek Sanne nog eens.
De schelp en het steentje lagen naast elkaar. Alsof ze samen wachtten op wat de zee morgen zou brengen.

