Het notitieboek op zolder
Bij opa op zolder rook het naar oud hout en een vleugje stof. De ladder kraakte onder mijn voeten toen ik omhoogklom met de zaklamp die ik van opa had geleend. Boven was het schemerig, met één raam dat naar het westen keek. Door dat raam kwam de namiddagzon precies op een stapel kartonnen dozen. "Pak gerust", had opa gezegd. "Het meeste is alleen maar oud."
Ik hield van zolders. Niet om het stof, maar om de stilte. Beneden was opa de afwas aan het doen, en de geluiden waren ver. Ik wilde even alleen zijn met de spullen die hij vergeten was.
De eerste twee dozen waren saai. Stofzuigeronderdelen, een lege fotolijst, drie stekkers waarvan ik niet wist waarvoor. De derde doos stond achteraan, half achter een kapstok met een mottenballenjas. Op de zijkant stond, in een kinderhandschrift dat scheef geschreven was: GEHEIME DINGEN.
Ik wist meteen dat dat van opa zelf moest zijn geweest, want opa was nu zevenenzestig. Maar ooit was hij negen geweest, of tien, en had hij "GEHEIME DINGEN" op een doos geschreven en die op zolder gezet. En blijkbaar nooit teruggehaald.
De doos was lichter dan ik had verwacht. Ik tilde die voorzichtig, ging op een kleed zitten dat ik tegen de wand had geschoven, en deed het deksel open.
Foto's. Acht of negen, in zwart-wit, met witte randen. Een jongen op een hek. Een kat met witte poten. Een groep kinderen voor een schoolgebouw, allemaal in kleren die niet meer bestonden. Een briefje, met stempel: GEMEENTE, geen idee wat het was. En onderop: een notitieboek met een blauwe kaft, zo dun dat je die half door kon zien.
Ik pakte het notitieboek op. Op de eerste pagina, in datzelfde scheve kinderhandschrift, stond:
DIT IS HET NOTITIEBOEK VAN BERT, 9 JAAR. NIET LEZEN ALS JE GEEN TIEN BENT.
Ik was elf. Dus mocht ik wel.
De pagina's daarna waren vol. Niet met losse aantekeningen, maar met een soort verslag. Bert, opa dus, had iets gevonden in zijn klas. Een briefje. Onder zijn rekenboek, alsof iemand het er net had ingestopt. Krijtstof aan de rand. Drie woorden, en het laatste was uitgeveegd.
Ik legde het notitieboek even neer. Ik wist niet helemaal hoe ik moest ademen.
Verderop in het notitieboek stonden tekeningen. Een vogel met streepjes-pootjes, met rood potlood dat licht was geworden door de jaren. Een schoolbord met een doorgehaalde acht. En, op een latere pagina, een naam die ik niet kende, maar Bert wel: "Margriet, naast me, met de bril."
Ik bladerde verder. Het notitieboek werd een kalender van een hele klas-zomer. Margriet en Bert hadden samen iets opgelost. Of niet helemaal opgelost. Misschien hadden ze, net als wij, iets verzonnen dat ze niet hadden moeten verzinnen. En misschien was dat oké.
Ik hoorde opa's voetstappen onderaan de ladder. "Sanne, kom je eten?"
Ik legde de foto's terug. Het notitieboek niet, dat hield ik vast. Ik wist nog niet of ik het tegen opa zou zeggen. Eerst zelf lezen. Daarna vragen. Eerst voelen wie Margriet was geweest, in de tijd dat opa mij was, in een klas die ik nooit had gekend.
Beneden was opa al begonnen met soep opscheppen. Op de keukentafel lag mijn lievelingsbord. Ik schoof het notitieboek in mijn jaszak, met de blauwe kaft tegen mijn ribben.
"Wat heb je gevonden?" vroeg opa, zonder op te kijken.
"Spullen", zei ik.
Opa knikte alsof dat genoeg was. Maar zijn schouders bewogen even, alsof hij het wist. Of een deel ervan.
De soep dampte. Ik nam de eerste hap en voelde de blauwe kaft zacht tegen mijn ribben.

