Voor groep 5
Blauw gips met ruimte voor namen
Het kind viel niet stoer.
Dat vond het kind zelf belangrijk om te weten.
Gewoon van het klimrek.
Niet eens van boven.
Dat maakte het een beetje beledigend.
Alsof je arm vond dat lager ook genoeg drama was.
Bij de receptie van het ziekenhuis kreeg mama een nummer.
Het kind kreeg een stoel in de wachtruimte.
Die stoel piepte.
Dat was niet nodig, maar hij deed het toch.
Naast het kind zat een jongen met een ijszak.
Hij keek alsof hij hier vaker kwam.
Dat hielp niet veel.
In de spreekkamer keek de arts naar de arm.
Daarna keek hij naar het scherm.
Er stond apparatuur naast het bed.
Een lamp.
Een apparaat met knopjes.
En iets dat vooral duur leek.
Het kind hield de goede arm heel stil.
Alsof stilzitten ook een behandeling was.
"Er zit een kleine breuk", zei de arts.
Klein klonk aardig.
Maar de arm vond klein alsnog genoeg.
De uitslag was dus: gips.
Het kind mocht een kleur kiezen.
Rood was te voetbal.
Groen was te kikker.
Blauw voelde rustig.
De verpleegkundige wikkelde laag na laag om de arm.
Eerst was het zacht.
Daarna werd het hard.
Alsof de arm een jas kreeg die niet meer uit kon.
Toen het klaar was, mocht Sam er later op schrijven.
Mila ook.
Misschien zelfs juf Noor.
Op weg naar buiten hield het kind de arm voorzichtig omhoog.
Niet heldhaftig.
Meer alsof er een klein dienblad aan vast zat.
Mama vroeg of het pijn deed.
"Een beetje", zei het kind.
Dat was waar.
Maar blauw stond best goed.