Voor groep 5
Bezoekuur met handgel
Ik ben het kind.
Ik dacht dat bezoekuur gezellig zou ruiken.
Naar druiven of tijdschriften.
Maar de kinderafdeling rook vooral naar zeep.
Bij de deur hing een fles handgel.
Mama zei dat hygiëne belangrijk was.
Dus niet aan je neus zitten.
Ook niet per ongeluk.
Ik drukte te hard.
Toen had ik genoeg gel voor twee handen.
En misschien een elleboog.
Mees lag in een eenpersoonskamer.
Dat klonk deftig.
Alsof je kamer een eigen naam had.
Eigenlijk betekende het gewoon: één bed, één kast, één raam.
En een stoel voor bezoek.
Mees moest opgenomen worden na een flinke benauwdheidsaanval.
Dat woord vond ik groter dan de kamer.
De verpleegkundige kwam binnen om Mees te verplegen.
Ze keek naar een slangetje.
Ze schreef iets op.
Ze vroeg of wij onze handen schoon hadden.
Ik hield mijn glimmende handen omhoog.
Ze knikte alsof ik net examen had gedaan.
"Is het besmettelijk?" vroeg ik zacht.
Mees schudde het hoofd.
"Jij kunt het niet aansteken", zei de verpleegkundige.
Dat was fijn.
Niet omdat ik bang was voor Mees.
Meer omdat bang zijn soms stiekem begint.
We speelden kwartet op het bedtafeltje.
De kaarten gleden steeds naar het randje.
Dat kwam door het rare tafeltje.
Niet door ons, vonden wij.
Mees won twee keer.
Ziek zijn had blijkbaar niets met verliezen te maken.
Toen het bezoekuur voorbij was, zwaaide ik bij de deur.
De handgel rook nog aan mijn vingers.
Buiten leek de gang ineens veel gewoner.
Ik hoopte dat Mees snel weer gewoon naast mij liep.