Voor groep 5
De trein met wieken
Op vrijdag moest iedereen een uitvinding maken.
Niet een echte natuurlijk.
De school had geen fabriek.
Wel karton, satéprikkers en te veel lijm.
Dat is bijna hetzelfde.
Volgens sommige kinderen.
Het kind wilde eerst een stoomtrein bouwen.
Een mooie.
Met een schoorsteen van een wc-rol.
Maar de wc-rol was hol.
Dat wist iedereen na één keer erin kijken.
De juf legde een massief blokje hout ernaast.
"Voel het verschil", zei ze.
Het blokje was zwaar.
De wc-rol was lucht met papier eromheen.
Dat vond het kind eigenlijk knap.
Leegte die rechtop bleef staan.
Mees kwam met een doos tandwielen.
Een tandwiel heeft tanden aan de rand.
Niet om te bijten.
Dat zou een stomme machine zijn.
Het kind zette twee tandwielen tegen elkaar.
Als het ene draaide, draaide het andere mee.
Eerst schoot er eentje los.
Het rolde onder de kast.
Iedereen keek alsof de kast schuld had.
Daarna gebeurde er iets gevaarlijks.
Een idee.
"Wat als de trein wieken krijgt?" vroeg het kind.
Mees keek alsof dat niet mocht.
Daarna keek Mees alsof het juist moest.
Ze maakten wieken van ijsstokjes.
De stoomtrein kreeg een dak van karton.
De tandwielen zaten ernaast.
Niet helemaal recht.
Wel moedig.
Toen het kind aan het eerste wiel draaide, bewogen de wieken.
Een beetje scheef.
Een beetje trots.
De juf kwam kijken.
"Wat is het?" vroeg ze.
Het kind keek naar de trein.
Naar de wieken.
Naar de lijm op de tafel.
"Vervoer voor als de rails op is", zei het kind.
De juf knikte langzaam.
Alsof dat een antwoord was.
Dat was het ook.