Voor groep 5
Niet kijken naar beneden
De kermis stond op het plein achter de bibliotheek.
Onze klas mocht erheen voor techniekweek.
Dat klinkt alsof je moet leren.
Maar er stond ook een zweefmolen.
Dus niemand klaagde overdreven hard.
Het kind bleef eerst bij het hek staan.
De stoeltjes hingen stil aan lange kettingen.
Stil zag de zweefmolen er vriendelijk uit.
Dat is makkelijk als je nog niets doet.
Een man drukte op een knop.
Hij ging de molen in beweging zetten.
Eerst draaide alles langzaam.
Daarna begon de molen te versnellen.
De stoeltjes gingen naar buiten hangen.
Alsof ze ineens meer lef hadden dan het kind.
Mees lachte met open mond.
Dat is gevaarlijk bij wind.
Je weet nooit wat erin waait.
Naast de zweefmolen stond een model van een reuzenrad.
Het model was klein.
Je kon de bakjes met één vinger duwen.
De echte attractie verderop was dat niet.
Die raakte bijna de wolken.
Bijna, vond het kind.
De juf zei dat het reuzenrad elektrisch werd aangedreven.
Dat betekende niet dat er bliksem in zat.
Dat had het kind voor de zekerheid gevraagd.
Mees wilde meteen in het reuzenrad.
Het kind niet meteen.
Niet omdat het kind bang was.
Gewoon omdat beneden ook een prima plek is.
De rij schoof langzaam vooruit.
Dat was niet prettig.
Maar ook niet erg genoeg om weg te lopen.
Uiteindelijk stapten ze samen in.
Het bakje ging omhoog.
De kraampjes werden klein.
De mensen ook.
Zelfs de meester leek minder meesterachtig.
Bovenin hield het kind de rand vast.
Niet keihard.
Wel duidelijk.
Mees wees naar school.
Van boven leek het gebouw speelgoed.
Toen het bakje weer beneden kwam, ademde het kind uit.
Dat was fijn.
Ademen beneden is makkelijker.
"Nog een keer?" vroeg Mees.
Het kind dacht na.
Heel kort.
"Eerst iets dat niet ronddraait."