Voor groep 5
Het wiel dat nee zei
Mijn fiets zei tik.
Niet één keer.
Tik tik tik.
Drie keer is nooit goed nieuws.
Ik ben het kind, en ik stond bij het fietsenrek.
Iedereen liep al naar binnen.
Dat maakt een kapotte fiets altijd erger.
Alsof de fiets weet dat je haast hebt.
Mees hurkte naast mijn achterwiel.
Dat deed Mees alsof fietsen altijd geheimen hadden.
"Je spaak zit los", zei Mees.
Een spaak is zo'n dun staafje in je wiel.
Ik keek ernaar.
Er zaten er veel.
Natuurlijk was precies die ene lastig.
De fietsketting hing ook een beetje scheef.
Niet dramatisch scheef.
Meer: ik twijfel aan mijn toekomst scheef.
Mijn frame was gelukkig nog recht.
Dat zei meester Bram.
Hij kwam met een klein bakje gereedschap.
In dat bakje lag alles belangrijk te glimmen.
"Dit onderdeel hoeft niet kapot te zijn", zei hij.
Dat vond ik een fijne zin.
Vooral het woord niet.
Meester Bram liet de as van het wiel zien.
Daar draait het wiel omheen.
Ik mocht aan het pedaal draaien.
De ketting schoof mee.
Eerst hortend.
Toen netter.
Mijn vinger kreeg een zwarte veeg.
Dat zag er meteen deskundig uit.
Mees hield het wiel stil.
Meester Bram ging het losse stukje monteren.
Dat klonk groter dan het was.
Hij draaide gewoon rustig met een tang.
Toch voelde het als echte techniek.
Alsof mijn fiets even een machine was.
De bel deed ook ping.
Niemand had daarom gevraagd.
Toen ik weer opstapte, zei het wiel niets.
Geen tik.
Geen tik tik tik.
Dat is hoe een fiets applaus geeft.
Door eindelijk zijn mond te houden.