Voor groep 8
Het portret dat niet keek zoals ik
Bij beeldende vorming moesten we een portret maken.
Niet zo'n snelle poppetje-met-haar-tekening.
Een echt portret, met gelaatstrekken en uitstraling.
Ik ben het kind, en mijn eerste versie leek op iemand die net een citroen had gegeten.
De kin was te lomp.
Het postuur klopte niet.
De wenkbrauw hing te nonchalant.
De mond was zo arrogant dat zelfs Sem vroeg of mijn tekening zichzelf belangrijk vond.
Mila zei dat ik niet alleen de buitenkant moest tekenen.
Je moest ook iets van het innerlijk laten zien.
Dat klonk onmogelijk.
Alsof je karakter met potlood uit iemands oor kon halen.
Toch probeerde ik het.
Ik maakte de lijnen zachter.
De ogen minder onverschillig.
De schouders niet zo zelfingenomen recht.
Toen werd de verschijning minder hard.
Niet meteen bevallig of gracieus.
Meer: menselijk.
Mees tekende zichzelf tenger, terwijl Mees er niet zo uitzag.
"Zo voel ik me soms", zei Mees.
Daar werd het lokaal even stil van.
Meester Bram zei dat een goed portret soms iets benadrukken kan wat je normaal probeert te verstoppen.
Ik keek opnieuw naar mijn tekening.
Het silhouet was nog steeds scheef.
Maar de blik was sprekend geworden.
Niet mooi-sprekend.
Eerder: ik-ben-er-nog-niet-uit-sprekend.
Dat vond ik eerlijker dan mooi.
Aan het einde hing mijn tekening naast die van Mila.
Haar portret was imposant netjes.
Mijn portret was rommelig.
Maar ook kenmerkend voor mij.
Typerend zelfs.
Een beetje zoekend.
Een beetje koppig.
En gelukkig niet meer citroenachtig.