Voor groep 6
Het dopje dat bleef
Ik vond het dopje naast de gymzaal.
Rood.
Een beetje gedeukt.
Niet bepaald een pronkstuk.
Ik wilde het weggooien.
Toen zei meester Bram dat elke verzamelaar ergens begint.
Dat klonk gevaarlijk.
Voor je het weet heb je een kamer vol dopjes.
Dat leek me eindeloos veel.
Ik ben het kind, dus ik nam er één mee.
Eén is nog geen verzameling.
Dat hield ik mezelf voor.
Thuis legde ik het dopje op mijn bureau.
Naast mijn lamp.
Dat maakte het dopje bijna officieel.
De volgende dag zag ik een groen dopje bij het fietsenrek.
Daarna een blauw bij de zandbak.
Ineens begon ik kleuren te bestuderen.
Niet expres.
Meer omdat mijn ogen zich ermee bemoeiden.
Mees noemde mij een liefhebber.
Dat vond ik te groot.
Een liefhebber klinkt alsof je met een vergrootglas loopt.
Toch maakte ik een rij.
Rood.
Groen.
Blauw.
Zwart.
Ik begon ze te koesteren.
Niet knuffelen natuurlijk.
Dat zou vreemd zijn.
Maar ik gooide ze ook niet meer weg.
Voor de presentatie maakte ik een klein bordje.
Geen catalogus.
Gewoon een titel.
DOPJES DIE NIET MEER KWIJT ZIJN.
Ik legde er ook een korte uitleg naast.
Waarom dit geen afvaltafel was.
En waarom rood eerst moest liggen.
Dat voelde logisch.
De klas lachte niet.
Dat had ik wel verwacht.
Juf Noor zei dat de collectie origineel was.
Niet duur.
Niet beroemd.
Wel eigen.
Toen voelde het dopje van de gymzaal anders.
Nog steeds gedeukt.
Maar minder afval.
Misschien begint waarde soms pas als iemand kijkt.