Voor groep 8
Het theehuis op tafel
Voor de landenmarkt bouwde onze groep een theehuis van karton.
Geen echt theehuis.
Dat merkte je aan de lijm aan mijn vingers en aan Sem, die het dak bleef vasthouden alsof er stormkracht stond.
Ik ben het kind, en ik had de kaart gemaakt.
China was immens.
Het land kon zich uitstrekken over bijna de hele tafel, als de juf niet had gezegd dat de gymzaal ook nog nodig was voor gym.
Op onze kaart tekenden we een delta bij de riviermonding.
Daar stond dichtbevolkt in kleine letters.
Verder naar het westen schreef Mila dunbevolkt en onherbergzaam.
Dat ene woord paste niet eens goed op het berggebied.
Ook dat voelde eigenlijk passend.
In een hoek maakte Mees een bezienswaardigheid van klei.
Terracotta soldaten, zei Mees.
Ze leken meer op boze aardappels met helmen.
Toch werd het een trekpleister.
Iedereen kwam kijken.
Bij onze proefhoek mochten kinderen roerbakken in een koude pan.
Dat was vooral roeren.
Bakken mocht niet van meester Bram.
Naast het theehuis lag een kaartje over omgangsvorm.
Mila had opgeschreven dat je andere gewoontes niet meteen raar moest noemen.
Eerst kijken.
Dan vragen.
Dan pas misschien zachtjes denken dat stokjes moeilijk zijn.
Sem oefende ondertussen toonhoogte met het woord ma.
Hij kreeg vier betekenissen en nul zekerheid.
Het schriftsysteem vond ik het mooist.
Tekens die tegelijk taal en tekening leken.
Oosters stond op een oud boek in de kast, maar meester Bram zei dat je met zo'n woord voorzichtig moest zijn.
Het kan alles en niets betekenen.
Dat contrast vond ik interessant: een land kan ver weg voelen en toch ineens op onze tafel vertoeven.
Met karton.
Met rijstpapier.
Met lijm die niet losliet.