Voor groep 5
Plenzen tot aan je sokken
Ik ben het kind, en ik dacht dat miezeren niet erg was.
Miezeren is klein.
Een beetje nat op je wangen.
Bijna gezellig.
Je kunt er nog stoer doorheen lopen.
Dan kijk je alsof regen jou niet kent.
Toen kwam de stortbui.
Die kende mij wel.
De neerslag viel hard uit de lucht.
Alsof iemand boven de straat een emmer liet kantelen.
Binnen drie tellen was mijn jas donker.
Binnen vijf tellen was ik doorweekt.
Mijn mouw plakte aan mijn pols.
Mijn fiets zuchtte in de standaard.
Mees stond onder het afdak van de fietsenstalling.
"Kom hier!" riep Mees.
Maar de wind was onstuimig.
Die duwde mijn capuchon half voor mijn ogen.
Ik liep de verkeerde kant op.
Niet ver.
Wel stom.
De windkracht was volgens mijn fietsbel veel te hoog.
Die rinkelde vanzelf.
Alsof mijn fiets alarm sloeg.
Op het plein begon het te plenzen.
Echt plenzen.
Water sprong uit de putjes omhoog.
Een plas werd groter terwijl ik keek.
Mijn schoen zei sop bij elke stap.
Sam kwam aangerend met zijn broodtrommel boven zijn hoofd.
Dat hielp niet.
Een broodtrommel is geen dak.
Mila wees naar zijn sokken.
"Die hebben opgegeven", zei ze.
Bij het afdak stonden we te druipen.
Mees had regen aan de wimpers hangen.
Mees lachte eerst.
Daarna nieste Mees.
Toen lachten we allebei.
Niet omdat nat worden leuk was.
Omdat droog blijven al verloren had.
Juf Noor kwam met een handdoek.
Eentje.
Voor zes kinderen.
Dat was dapper.
Soms kun je beter toegeven aan water.
Maar pas als je sokken toch al opgeven.