Voor groep 6
Niet de waaghals
In de gymzaal stond een parcours klaar.
Dat is een woord voor: iemand heeft bedacht hoe jij moe moet worden.
Ik ben het kind, en ik zag meteen de hindernis met de smalle bank.
Daar moest je overheen balanceren.
Rustig lopen dus.
Niet zwaaien met je armen alsof je een helikopter met huiswerk bent.
Meester Bram zei dat goede conditie niet betekent dat je altijd hard gaat.
Soms moest je schakelen.
Snel bij de mat.
Langzaam bij de bank.
Op tijd springen bij de kast.
Timing, noemde hij dat.
Mees nam een grote aanloop.
Te groot.
Bijna sensationeel groot.
Meester Bram stak zijn hand op.
"Actief is goed", zei hij. "Roekeloos is niet handig."
Mees remde af.
Ik had ondertussen vrees voor de bank.
Niet veel.
Wel een klein stemmetje dat zei: hallo, ik ben je angsthaas.
Ik deed toch een stap.
En nog een.
Dat was lef, vond ik.
Geen waaghals-lef.
Gewoon normaal lef, met knieën die erbij nadachten.
Aan het eind moesten we inspannen en daarna ontspannen.
Dat laatste kon ik uitstekend.
Liggen op de mat is misschien geen individuele sport, maar ik zou het graag beoefenen.
Niemand raakte geblesseerd.
Alleen mijn trots kreeg bijna een blessure toen ik wiebelde.
Maar ik bleef staan.
Dat telde.