Voor groep 6
De pass die wel aankwam
Ik ben het kind, en ik had hockey altijd een sport gevonden met te veel gebogen mensen.
Iedereen liep krom over een stick.
Alsof de grond iets geheimzinnigs fluisterde.
Vandaag kregen we een clinic van Noor.
Zij had vroeger in een jeugdteam gespeeld en zei dat ze geen prof was.
Daarna sloeg ze de puck precies tussen twee pionnen door.
Dus misschien was ze gewoon bescheiden op een verdacht niveau.
Eerst oefenden we de techniek.
Je handen goed op de stick.
Niet hakken.
Niet maaien.
De puck moest rollen, niet vluchten.
Daarna kwam de tactiek.
Kijk waar iemand vrij staat.
Geef een pass voordat iedereen op hetzelfde kluitje rent.
Dat laatste deed onze klas graag.
Het leek op een zwerm jassen met benen.
Mees wilde tackelen.
Noor raadde dat af.
"Bij hockey pak je de bal af, niet elkaars enkels", zei ze.
Dat was duidelijk afraden.
Dat vond ik een duidelijke regel.
In het partijtje kreeg ik de puck.
Mijn eerste tik was passief.
De puck rolde twee centimeter en dacht toen: zoek het uit.
Ik incasseerde het gelach.
Incasseren heet dat, als je doet alsof twee centimeter ook een poging is.
Het was niet gemeen.
Meer het geluid van iedereen die zichzelf herkende.
Daarna probeerde ik het opnieuw.
Ik keek op.
Ik gaf een pass naar Mees.
Precies goed.
Noor stak haar duim op.
"Sportief gespeeld."
Dat gaf een kick.
Geen beker.
Geen stadion.
Alleen een pass die wel aankwam.