Voor groep 6
De route van je boterham
Ik ben het kind, en ik had een boterham met kaas.
Gewoon een boterham.
Tot juf Noor zei dat het eigenlijk brandstof was.
Toen keek ik er anders naar.
Alsof mijn broodtrommel stiekem een tankstation was.
We kregen les over spijsvertering.
Vroeger heette eten ook wel spijs.
Dat klonk alsof mijn boterham ineens een riddermaal was.
Juf tekende een route op het bord.
Eerst ging eten door de slokdarm.
Daarna kwam het in de maag.
Daar zat maagzuur.
Niet om gemeen te doen.
Meer om eten kleiner te maken.
Ook een enzym hielp daarbij.
Een enzym is een stofje dat iets in je lichaam sneller laat gebeuren.
Daarna ging het verder door het maag-darmkanaal.
We moesten de route natekenen.
Mijn slokdarm werd een rechte glijbaan.
Mijn maag leek op een sok.
Dat was waarschijnlijk niet wetenschappelijk.
Wel duidelijk.
De dunne darm haalde voedingsstoffen uit het eten.
Die kon je lichaam gebruiken.
De lever hielp ook mee.
Net als gal.
Dat vond Mees een kort woord voor iets dat belangrijk deed.
Aan het einde kwam de dikke darm.
Die haalde nog water uit de rest.
"Dus mijn boterham maakt een wereldreis", fluisterde Mees.
Ik knikte.
Alleen zonder paspoort.
Toen nam ik een hap.
Dat voelde opeens minder gewoon.
Mijn boterham had plannen.