Voor groep 4
Wedstrijdje op tafel
De dobbelsteen tikt op tafel.
Tik. Tik.
Mees schuift een gele pion naar voren.
Mijn pion staat nog bij de start.
"Het bordspel heeft rare vakjes", zeg ik.
Op het eerste vak staat het pictogram van een schoen.
Een schoen betekent lopen.
Een wolk betekent wachten.
De betekenis staat op een kaartje.
Ik pak het kaartje erbij.
"Lees jij de tip?" vraagt Mees.
Ik lees zacht.
"Volg het pictogram. Niet je eigen zin."
Dat is een tip met tanden.
Op de doos staat nog een oog.
Ook een pictogram.
Dat betekent: kijk goed.
Ik kijk dus goed.
Veel te goed misschien.
Mees gooit twee.
De pion komt op een wolk.
"Nog een keer", zegt Mees.
"Waarom?"
"Deze worp telde niet."
Mijn hand blijft op de dobbelsteen.
"Dat is vals spelen."
Het wordt stil aan tafel.
Niet lang.
Maar wel dik.
Mijn wangen voelen warm.
De stoel kraakt onder mij.
Ik kijk naar het randje van het bord.
Dat randje zegt niks terug.
Mees kijkt naar de doos.
Ik ook.
Daar ligt de spelregel.
Eerst lezen. Dan gooien.
"O", zegt Mees.
"Dus ik moet wachten."
"Ja."
We zeggen allebei niks.
De dobbelsteen ligt tussen ons in.
Daarna gaan we uitpraten.
Niet met grote woorden.
Gewoon zo.
"Ik wilde winnen", zegt Mees.
"Ik ook", zeg ik.
Dat helpt gek genoeg.
Mees zet de pion terug.
Ik geef de dobbelsteen terug.
"Jij bent."
"Nu echt?"
"Nu echt, het kind."
De dobbelsteen tikt weer.
Tik.
Deze keer telt het.