Voor groep 4
Het routekaartspel
Iemand thuis rolt een groot vel papier uit.
Het papier ritselt over de vloer.
"We maken een spel", zegt iemand thuis.
"Met een route."
Ik pak de dikke stift.
De stift kraakt op het papier.
Bovenaan schrijf ik: spel van het kind.
Daaronder komt een wiebelige lijn.
Eerst teken ik een weg.
Bocht. Brug. Bos.
Aan het eind komt een kasteel.
"Wat is de bron?" vraagt iemand thuis.
"Welke bron?"
Iemand thuis houdt een oud spelregelboekje omhoog.
"Hieruit halen we de tip."
Dat klinkt officieel.
We lezen een stukje tekst.
Niet alles.
Alleen het stuk over beurt nemen.
Daarna maken we de afspraak.
Eerst gooien.
Dan lopen.
Dan kaartje pakken.
"Dat is de volgorde", zeg ik.
Iemand thuis knikt.
Op elk kruispunt teken ik een pictogram.
Een ster betekent nog eens gooien.
Een sloot betekent stoppen.
Een hand betekent beurt overslaan.
Die hand ziet er krom uit.
"Zet de betekenis erbij", zegt iemand thuis.
Ik schrijf klein naast de sloot.
Stop hier.
Mijn letters worden scheef.
"De tekst is scheef", zegt iemand thuis.
"Scheve sloot", zeg ik terug.
We lachen allebei.
Dan zoeken we twee doppen.
Die zijn onze pionnen.
Dan testen we het spel.
Mijn pion volgt de route.
Bij de ster mag ik nog eens.
Bij de sloot stop ik.
Bij de hand zucht ik hard.
"De afspraak werkt", zegt iemand thuis.
Ik kijk naar het papier.
Niet netjes.
Maar wel speelbaar.