Voor groep 5
De pot met het briefje
Op de kast stond een glazen pot.
Niet zomaar een pot.
De klassenpot.
Er zat een briefje op.
VOOR HET SCHOOLREISJE.
Dat maakte de pot meteen belangrijk.
Iedere week mocht de klas iets opzijleggen.
Een beetje geld van oud papier.
Een beetje geld van lege flessen.
En één keer drie euro uit een jaszak.
Die bleek van de conciërge.
Dus dat telde niet.
De juf schreef het budget op het bord.
Budget betekende gewoon: zoveel hebben we.
En niet: zoveel willen we.
Dat verschil was flauw.
Het kind wilde naar het grote speelpark.
Vooral naar de hoge glijbaan.
Mees wilde naar het zwembad.
Iemand anders wilde naar allebei.
Die persoon werd meteen minister van dure ideeën.
"Dan zijn we blut", zei de juf.
Blut klonk grappig.
Het betekende alleen dat je geld op was.
De klas moest bezuinigen.
Geen extra ijsje.
Geen bus met harde muziek.
Geen doos vol glowsticks.
Dat laatste was vooral jammer voor Mees.
Mees fluisterde dat glowsticks belangrijk waren.
Niemand schreef dat op.
Toen zei Sem dat kleine ijsjes stom waren.
Daar was de klas het ineens druk mee eens.
Het kind keek naar het bord.
Speelpark.
Bus.
Fruit.
Een klein ijsje.
Niet groot.
Wel ijs.
Als ze de hoge glijbaan wilden houden, moest iets kleiner worden.
"Dan liever kleine ijsjes", zei het kind.
Dat voelde een beetje als de glijbaan redden.
De juf vroeg hoe je dan toch kon rondkomen.
Rondkomen betekende: genoeg hebben voor wat echt moet.
Sem zuchtte.
Daarna knikte hij.
"Maar dan neem ik chocola", zei hij.
Dat mocht.
De pot op de kast glom in de zon.
Alsof de pot het plan goedkeurde.
Later dacht het kind aan glowsticks.
Die hoefden nu niet meer.
De glijbaan wachtte al.