Voor groep 5
Aan de balie
Het kind ging met mama naar de bank.
Niet omdat het kind rijk was.
Dat zou nieuws zijn geweest.
Er zat muntgeld in een zakje.
Geld voor de spaarrekening.
Zelf geteld.
Bijna zeker goed.
Binnen stond een balie met een plant erop.
De plant leek het ook afwachten te vinden.
Er lag een rij pennen aan een kettinkje.
Alsof pennen anders zouden ontsnappen.
Achter de balie zat een baliemedewerker.
Die zei hallo alsof hallo bij het werk hoorde.
Mama knikte naar het kind.
Dat was het teken.
Nu moest het kind zelf zeggen wat er moest gebeuren.
"Ik wil dit op mijn spaarrekening zetten", zei het kind.
Dat klonk groter dan het zakje munten was.
De baliemedewerker zei dat je geld ook kon overmaken.
Van de gewone bankrekening naar de spaarrekening.
Geld kon dus verhuizen zonder jas.
De baliemedewerker telde mee.
Het kind had twintig cent te veel gerekend.
Dat voelde alsof rekenen expres struikelde.
Op het scherm stond het saldo.
Het kind keek niet te lang.
Geld van volwassenen voelt een beetje privé.
De baliemedewerker vroeg om de pincode.
Mama hield het scherm af.
Dat was logisch.
Een pincode is geen spreekbeurt.
Naast de balie hing een poster.
Daarop stond dat salaris vaak op een bankrekening komt.
Salaris is geld dat je krijgt voor werk.
Het kind dacht aan tafeldekken.
Daar kreeg je geen salaris voor.
Hoogstens dank je.
En soms: zet de borden recht.
Toen alles klaar was, kreeg het kind een foldertje mee.
Op de voorkant stond een lachend spaarvarken.
Het varken keek veel te tevreden.
Buiten vroeg mama wat het kind had geleerd.
Het kind dacht aan de plant.
Aan de pincode.
Aan twintig cent die bijna stoer deed.
"Dat banken stil zijn", zei het kind.
Mama lachte.
Dat was ook een soort rente.