Voor groep 6
De overtocht
Ik ben het kind, en ik dacht dat een veerboot vooral een bus op water was.
Dat was niet helemaal verkeerd.
Maar een bus heeft geen dek.
En meestal geen meeuwen die doen alsof ze eigenaar zijn.
De klas maakte een korte overtocht naar een eilandje.
Juf Noor noemde de veerboot ook een klein passagiersschip.
Dat klonk meteen duurder.
Elke passagier moest bij de groep blijven.
Juf Noor telde ons drie keer.
Dat is haar hobby bij water.
Aan dek waaide de wind door alles heen.
Door jassen.
Door haren.
Door gedachten die nog niet vastzaten.
Binnen was een kleine kajuit.
Daar rook het naar koffie en natte rugzakken.
Naast de kajuit zat de kombuis.
Dat is de keuken van een schip.
De kok zwaaide alsof we opvarenden waren.
Dat woord betekent mensen die meevaren.
Ik voelde me meteen belangrijker.
Bij het raam zat een kind met een schrift.
Het was een schipperskind.
Het schipperskind woonde vaak op een schip.
Door de week sliep het soms in een internaat.
Niet omdat niemand wilde zorgen.
Maar omdat school anders ingewikkeld werd.
Dat vond ik eerst afgezonderd klinken.
Een beetje alleen.
Maar het schipperskind vertelde over contact onderhouden.
Bellen.
Berichten.
Foto's van de rivier.
"Mijn kamer beweegt tenminste niet", zei het schipperskind.
Dat was een voordeel.
Mees keek naar buiten.
"Ik zou zeeziek worden van huiswerk op golven."
De veerboot trilde zacht.
Een meeuw bleef precies naast ons vliegen.
Alsof hij controleerde of we zijn eiland wel netjes naderden.
Het eiland kwam dichterbij.
Toen we van boord gingen, telde juf Noor opnieuw.
Deze keer maar twee keer.
Voor haar was dat bijna ontspannen.