Voor groep 6
Aan de kade
De haven rook naar water, touw en diesel.
Niet vies precies.
Meer alsof de stad natte schoenen had.
Ik ben het kind, en onze klas stond aan de kade.
Voor ons lag een binnenvaartschip.
Daarachter lag een vrachtschip dat zo groot was dat mijn nek commentaar gaf.
Een sleepboot duwde langzaam tegen de zijkant.
"Die helpt met sturen", zei de gids.
Ik vond dat vriendelijk.
Zelfs grote schepen hebben soms een duwtje nodig.
We mochten niet zomaar aan boord.
Eerst kwamen de regels.
Niet rennen.
Niet leunen over de rand.
Niet doen alsof je kapitein bent.
Dat laatste stond er niet bij.
Maar ik hoorde het toch.
De bemanning was bezig met lossen.
Kisten gingen van het schip naar de kant.
Aan wal stond een man met een geel hesje.
Hij keek alsof hij al sinds ontbijt wist waar elke kist heen moest.
Dat vond ik knap.
Mijn broodtrommel wist meestal niet eens waar het deksel was.
Hij wees naar de boeg.
Dat is de voorkant van het schip.
Bakboord was links.
Stuurboord was rechts.
Tenminste, als je de goede kant op keek.
Dat vond ik nogal afhankelijk.
In de stuurhut hing een kaart.
Daarop stond de koers getekend.
De lijn liep over rivieren en langs bruggen.
Mees keek naar de horizon.
"Waar stopt water eigenlijk?" vroeg Mees.
De gids glimlachte.
"Vandaag bij de planning."
Verderop lag een hele vloot kleinere schepen.
Tussen de boten lag zelfs een zeiljacht, wit en netjes, alsof het nooit modder onder zijn schoenen had.
Machtig gezicht, zei juf Noor.
Dat klopte.
Maar ik dacht vooral aan al die mensen die precies weten waar links is.