Voor groep 4
De omgekeerde dag
Het kind kwam de klas in.
Juf Noor zat onder haar bureau.
Niet achter haar bureau.
Eronder.
"Goedemiddag", zei ze.
Het was half negen.
Sam keek naar de klok.
"Abnormaal", fluisterde hij.
Op het bord stond: OMGEKEERDE DAG.
De stoelen stonden in een kring.
Maar allemaal met de rug naar binnen.
Dat zag er dom uit.
En toch ook netjes.
Mila vond dat apart.
Juf Noor zei dat ze vandaag de klas ging foppen.
Maar alleen netjes.
Niemand mocht iemand misleiden met iets ernstigs.
Dat klonk bijna geloofwaardig.
Bij rekenen begonnen ze met de laatste som.
Bij schrijven moest iedereen zijn naam achterstevoren proberen.
Het kind schreef eerst langzaam.
Daarna nog langzamer.
Een achterstevoren naam voelde mal.
Alsof je hand de weg kwijt was.
In de pauze liepen ze achteruit naar de deur.
Niet snel.
Want achteruit rennen was gewoon gekkenwerk.
Sam zei dat hij ook achteruit kon eten.
Hij probeerde een hap appel terug te leggen.
Dat lukte niet.
"Absurd", zei Mila.
"Knap absurd", zei Sam.
Na de pauze zei juf Noor iets nieuws.
"Nu mag iedereen zich verbazen."
Dat klonk alsof verbazen een vak was.
Iedereen zat klaar.
Toen deed juf Noor precies niets.
Een hele minuut.
Sam keek naar zijn potlood.
Mila keek naar Sam.
Het kind keek naar juf Noor.
Dat was vreemd genoeg het raarste.
Het kind moest lachen.
Soms was onzin het leukst.
Niemand wist waar de dag heen ging.