Voor groep 6
Onder de gang
Ik ben het kind, en ik dacht dat school alleen bestond uit lokalen, gangen en kapstokken.
Dat was voor de middagpauze.
Daarna tilde meester Bram een grijze deur open naast de trap.
"We gaan even afdalen", zei hij.
Dat klonk alsof we op expeditie gingen.
In werkelijkheid gingen we van de begane grond naar het souterrain.
Een kelder dus.
Maar souterrain klinkt alsof je er toegangskaartjes voor kunt verkopen.
Beneden rook het muf.
Niet vies genoeg om weg te rennen.
Wel alsof oude gymtassen hier hun pensioen vierden.
Langs de muur liep een afvoer.
Meester Bram vertelde dat afvalwater en hemelwater niet zomaar door dezelfde buis mochten.
Soms moest water eerst gezuiverd worden.
Soms mocht je het juist niet lozen, omdat het verontreinigd kon zijn.
Mees keek naar het putje.
"Heeft een putje ook huiswerk?" fluisterde Mees.
Ik vond van wel.
Het moest de hele dag dingen doorslikken.
Bij een luik wees meester Bram naar de kruipruimte.
Daar zat grondwater onder de vloer.
Het waterpeil werd gemeten met een smal stokje.
Als het water te hoog kwam, kon de afvoer overlopen.
Dan kreeg je smurrie waar niemand een werkblad over wilde maken.
Buiten lag de straat op straatniveau.
Hier beneden leek dat opeens heel ver weg.
Aan het eind hing een oude kaart van de ondergrondse.
Er stonden lijnen op die onder de stad door liepen.
"Oneerlijk", zei Mees. "De straat heeft een geheim leven."
Dat vond ik precies goed gezegd.