Voor groep 6
De put achter het hek
Achter de school stond opeens een hek.
Dat is bij kinderen ongeveer hetzelfde als een bord met: kijk hier vooral naar.
Ik ben het kind, dus ik keek.
Achter het hek stond een container.
Daarnaast zat een archeoloog op zijn hurken in een rechthoekige put.
Hij mocht dingen opgraven die al heel lang onder de grond lagen.
Niet met wilde scheppen.
Grondig, met een kwastje.
Dat vond ik oneerlijk tegenover iedereen die thuis zijn kamer moest opruimen.
In de put lag een oud gewelf.
De stenen boog liep half onder de aarde door.
De archeoloog vertelde dat er vroeger misschien een beerput had gezeten.
Dat woord maakte meteen indruk.
Mees trok een gezicht.
"Dus geschiedenis kan ook drek zijn?"
"Soms wel", zei de archeoloog.
Hij zei het alsof dat heel normaal was.
In een bakje lag een versteend stukje bot.
Misschien was het een fossiel.
Misschien ook gewoon iets saais dat heel oud deed.
Verderop wees hij naar een hoop zand bij de bomen.
Daar zat geen schat.
Wel een dassenburcht in de buurt.
Daarom moest de bouw heel voorzichtig gaan.
Onder de straat lag ook een riool.
Als daar iets overtollig in kwam, kon het water vervuild raken.
De gemeente wilde dat voorkomen.
Ik dacht aan alle lagen onder mijn voeten.
Stenen.
Buizen.
Dierenholen.
Oude rommel.
Misschien zelfs geheimen die geduldig lagen te wachten.
Toen de bel ging, keek niemand meteen weg.
Dat was zeldzaam voor een bel.