Voor groep 5
De kaart boven het digibord
Het kind moest een mini-spreekbeurt houden.
Over het noordpoolgebied.
Mini, had juf Noor gezegd.
Dat betekende blijkbaar nog steeds dat je voor de klas stond.
Op het digibord stond een kaart.
Bovenaan was alles wit en blauw.
Het kind had thuis geoefend met aanwijzen.
Niet te snel.
Niet met de rug naar de klas.
Dat was lastiger dan je denkt.
Sam fluisterde dat wit op een kaart handig was.
Je hoefde minder in te kleuren.
Het kind begon met de Inuit.
Dat zijn mensen die in delen van het noordpoolgebied wonen.
In het oude boek stond ook het woord Eskimo.
Juf Noor had gezegd dat Inuit vaak beter en preciezer was.
Dat zei het kind er ook bij.
Daarna kwam het Inuktitut.
Op de dia stond het woord groot.
Alsof het zelf belangrijk wilde zijn.
Dat was de taal die veel Inuit spreken.
Het kind sprak het woord langzaam uit.
Niet omdat het moest.
Omdat het anders over je tong struikelde.
Op de tweede dia stond een iglo.
Niet zo'n plastic speelgoediglo.
Een echte van sneeuwblokken.
Het kind vertelde dat mensen daar niet altijd in wonen.
Soms was het tijdelijk.
Dat vond Sam jammer voor de sneeuwblokken.
Mila vroeg of je daarin rauw eten moest eten.
Het kind keek op het spiekbriefje.
"Soms wel", zei het kind.
"Omdat koken daar vroeger niet altijd makkelijk was."
Dat klonk logisch.
En ook koud.
De laatste dia was een hondenslee.
Honden met dikke vachten trokken een slee over sneeuw.
Sam vroeg of er ook een kattenvariant bestond.
"Alleen als de kat zin heeft", zei het kind.
Dat was het beste antwoord van de spreekbeurt.
Zelfs juf Noor schreef iets op.
Na afloop zei ze dat de kaart duidelijk was.
Het kind voelde de schouders zakken.
De Noordpool bleef koud.
Maar de spreekbeurt niet meer.