Voor groep 7
Polderen over pauze
De klasraad begon met een groot probleem.
Het voetbalveld was te klein voor alle plannen.
Ik ben het kind, en ik had al gezien hoe dit ging eindigen.
Met veel praten.
Meester Bram noemde dat polderen.
Onderhandelen tot niemand precies krijgt wat die wilde, maar ook niemand dramatisch onder tafel hoeft.
Dat klonk heel Nederlands.
Misschien zelfs chauvinistisch, maar dan met stoelen in een kring.
We moesten eerst direct zeggen wat we vonden.
Dat vond iedereen makkelijk.
Daarna moesten we luisteren.
Dat was een ander vak.
Mila wilde drie dagen voetbal.
Sem wilde basketbal.
Mees wilde een rustig hoekje voor kaarten ruilen.
Juf Noor schreef normen en waarden op het bord.
"Welke afspraken passen bij onze samenleving in het klein?" vroeg ze.
Dat was een grote zin voor een plein met twee prullenbakken.
We mochten stemmen.
Democratisch, zei meester Bram.
De meeste stemmen waren voor een rooster.
Maandag voetbal.
Dinsdag basketbal.
Vrijdag keuzeplein.
Maar toen zei Sara dat zij op maandag nooit kon voetballen door muziekles.
Dus begon het polderen opnieuw.
Ik zuchtte nuchter.
Dat is zuchten zonder theater.
Uiteindelijk kwam er een compromis.
Twee voetbaldagen, een basketbaldag en een open dag.
Ongeacht hoe goed je was, mocht je meedoen.
Dat vond ik tolerant klinken.
Niet gezellig-tolerant.
Meer: we houden rekening met elkaar, ook als dat irritant traag gaat.
Vrijheid van meningsuiting betekende blijkbaar niet dat iedereen tegelijk door elkaar mocht roepen.
Dat was jammer.
Maar ook rustiger.