Voor groep 5
Klaarwakker in de tent
Het kind sliep in de tuin.
Niet omdat het huis vol was.
Omdat een tent in de tuin bijna avontuur was.
Niet helemaal avontuur.
Je kon nog steeds het keukenraam zien.
Maar toch genoeg.
Mama had gezegd dat het na de zonsondergang kouder werd.
Dat klopte.
De lucht werd blauwgrijs.
Daarna schemerdonker.
Daarna aardedonker.
In de tent lag het kind in een slaapzak.
De zak rook naar kast en gras.
Naast het matje stond een zaklamp.
Voor noodgevallen.
En voor als een veter ineens interessant werd.
De slaapzak ritselde bij elke knie.
Dat hielp niet.
Een tent is dun.
Dunner dan een muur.
Dat vergeet je overdag.
Het kind was klaarwakker.
Eerst was dat leuk.
Dan hoor je alles.
Een tak.
Een fietsbel ver weg.
Iemand die een vuilnisbak dichtdeed alsof het een trommel was.
Daarna werd klaarwakker minder leuk.
Het kind keek door het open stukje tent.
Boven de schutting stond de sterrenhemel.
Een paar sterren leken te flonkeren.
Mama wees eerder de Grote Beer aan.
En de Poolster.
Dat was een ster die ongeveer op dezelfde plek bleef.
Terwijl de rest van de lucht rustig deed alsof die bewoog.
Best handig.
Het kind probeerde het sterrenbeeld terug te vinden.
Eerst lukte het niet.
Toen wel.
Misschien.
De Grote Beer leek op een steelpan.
Of op een scheve kar.
Dat mochten sterren blijkbaar zelf weten.
In de tent werd het stiller.
De slaapzak ritselde nog één keer.
Daarna begon het kind te doezelen.
Niet slapen.
Nog niet.
Maar de nacht voelde minder groot.
Alsof zelfs het heelal netjes boven de tuin paste.