Voor groep 5
De nachtploeg van thuis
Ik ben het kind, en ik was vannacht nachtbraker.
Niet expres.
Mijn hoofd had gewoon geen uitknop.
Ik probeerde mijn ogen dicht te doen.
Dan gingen mijn gedachten juist harder praten.
Mama noemde het slapeloosheid.
Ik noemde het irritant.
Om half twaalf hoorde ik beneden iets schuiven.
Eerst dacht ik aan iets heel ernstigs.
Daarna aan de wasmand.
De wasmand leek waarschijnlijker.
Onze wasmand deed vaak alsof hij geheimen had.
Ik liep zacht naar de trap.
Beneden brandde licht in de keuken.
Mama stond daar met een boterham.
"Nachtploeg", zei mama.
Dat klonk alsof onze keuken een fabriek was.
"Wat doe jij wakker?" vroeg mama.
"Controleren of jij wakker bent", zei ik.
Dat was geen goed antwoord.
Wel een snel antwoord.
Mama moest lachen zonder geluid.
We dronken allebei water.
Het glas klonk hard op tafel.
Veel harder dan overdag.
Dat is raar aan de nacht.
Alles krijgt meer geluid.
Daarna mocht ik vijf minuten aan tafel zitten.
Geen scherm.
Geen spel.
Alleen zitten.
Mijn voeten raakten de koude vloer.
Dat maakte me niet blij.
Wel echt wakker.
Buiten fietste iemand langs.
Misschien een echte nachtwaker.
Of iemand die te laat was.
Dat weet je 's nachts nooit.
Na vijf minuten bracht mama mij terug.
Ik ging liggen.
Eerst ging ik dommelen.
Daarna begon ik echt te dutten.
Vlak voor ik sliep, dacht ik nog aan de keuken.
Aan de boterham.
Aan de stille lach.
De nachtploeg van thuis was klein.
Geen helm.
Geen portofoon.
Alleen water en een boterham.
Maar het werkte.