Voor groep 7
Regenboog op de kast
Bij natuur kregen we een prisma op tafel.
Het zag eruit als een stukje glas dat expres moeilijk deed.
Meester Bram zei dat het principe simpel was.
Dat zeggen volwassenen vaak vlak voor iets niet simpel is.
Ik ben het kind, en ik moest het zonlicht bundelen met een kaartje.
Mees hield een lens vast.
Niet om mee te spelen.
Dat zei meester Bram drie keer met zijn ogen.
Het licht ging door het prisma en viel op de kast.
Daar verscheen gebroken licht in kleuren.
Geen hele regenboog.
Meer een dun feestje dat niet lang wilde blijven.
Juf Noor vroeg welke kleur het meeste opviel.
Ik zei rood.
Mees zei paars.
Mila zei dat de variëteit aan antwoorden bewees dat wij goed keken.
Mila gebruikt zulke zinnen alsof ze ergens een geheime volwassen-la heeft.
Daarna deden we een proef met zwart papier.
Dat moest licht absorberen.
Wit papier liet meer licht weerkaatsen.
Dat zag je meteen.
Zwart werd warm.
Wit deed alsof het onschuldig was.
Meester Bram vertelde ook over infrarood en ultraviolet.
Dat kun je niet gewoon zien.
Toch kunnen ze er zijn.
Dat vond ik irritant en mooi tegelijk.
Alsof licht geheimen had.
Toen iemand het kaartje verkeerd hield, scheen de vlek recht in mijn ogen.
"Niet verblinden", zei meester Bram rustig.
Dat was een goede regel voor bijna alles.
Aan het eind moest ik het verschijnsel uitleggen.
Ik zei dat wit licht zich kon opsplitsen.
En dat je soms pas ziet wat erin zit als iets het even moeilijk maakt.