Voor groep 7
De lamp die sfeer had
De leeshoek had eindelijk een nieuwe lamp.
Volgens juf Noor was het een sfeervol hoekje.
Volgens mij was het vooral een hoekje waar je niet meer tegen een boekenkast liep.
Ik ben het kind, en ik mocht de lamp aansluiten.
Niet in het stopcontact.
Dat deed meester Bram.
Ik mocht het kapje rechtzetten en doen alsof ik technisch belangrijk was.
De oude lamp stond er nog naast.
Die begon altijd te flakkeren als iemand net lekker las.
Alsof hij spanning spannend vond.
In de nieuwe lamp zat een fitting waar de lamp precies in moest draaien.
Meester Bram vertelde dat elke lichtbron een levensduur heeft.
Dat klonk alsof lampen ook verjaardagen overslaan.
We konden het licht dimmen met een schuifje.
Heel fel was handig bij zoeken.
Zacht was beter bij lezen.
Een reflector achter het kapje stuurde het schijnsel naar beneden.
Het leek meteen alsof de tafel slimmer werd.
Aan de muur hing ook een fluorescerend veiligheidsbordje.
Dat gaf nog een beetje licht terug wanneer de lamp uitging.
Kunstmatig licht, zei juf Noor.
Niet natuurlijk zoals zonlicht.
Mees vroeg of het bordje dan een nachtdier was.
Niemand wist precies hoe serieus dat was.
In de gang brandde neonlicht.
Dat maakte iedereen een beetje groener dan nodig.
We testten welke plek het fijnst las.
Mijn potlood sneuvelde bijna toen ik het onder mijn boek liet liggen.
Bij de laagste stand kon ik niets zien.
Bij de hoogste stand voelde mijn schrift alsof het werd ondervraagd.
Dus zette ik het schuifje in het midden.
Niet te fel.
Niet te donker.
Voor het eerst leek de leeshoek echt te willen dat je bleef zitten.