Voor groep 4
De bak met gevonden dingen
Bij de deur stond een grijze bak.
Daarop stond: gevonden voorwerp.
Eigenlijk stonden er veel voorwerpen in.
Een want.
Een beker.
Drie haarspeldjes.
En een sok die niemand leek te missen.
Voor de bak rook het naar natte jassen.
Het kind zocht een armbandje.
Niet van goud.
Niet peperduur.
Wel dierbaar.
Mees had het zelf gemaakt.
Met drie kralen en een knoopje.
Daarom was het kostbaar.
Niet voor een winkel.
Voor het kind.
In de pauze was het verdwenen.
Eerst zat het nog om de pols.
Daarna niet meer.
Eerst leek dat gewoon kwijt.
Daarna werd het groter.
Spoorloos.
Onvindbaar.
Bijna ontroostbaar.
Dat laatste zei juf Noor niet.
Dat voelde alleen zo.
De bak voelde diep.
Alsof spullen erin konden verdwalen.
Het kind haalde de want uit de bak.
Niet het armbandje.
De beker.
Niet het armbandje.
De sok.
Nog steeds niet.
Onder in de bak lag een groen draadje.
Daar zat een kraal aan.
En nog een.
En een knoopje.
Het kind ademde uit.
Lang.
"Gevonden", zei juf Noor.
Mees keek naar de sok.
"Die is nog steeds verloren."
"Sommige dingen willen dat", zei het kind.
Het armbandje ging om de pols.
Mees maakte de knoop opnieuw.
Strakker dan eerst.
Niet te strak.
Alleen genoeg om te blijven.