Voor groep 4
De pannenkoekentest
Het kind had moed nodig.
Niet voor een berg.
Voor een pannenkoek.
In de aula was proefmiddag.
Er stonden tafels in rijen.
Overal lagen bordjes en servetten.
Iedere groep maakte iets kleins.
Juf Noor zei dat goed voorbereiden halve winst was.
Dat klonk netjes.
Maar de kom dacht anders.
De groep van het kind maakte mini-pannenkoeken.
Dat klonk makkelijk.
Tot het beslag klonterde.
Sam roerde snel.
Te snel.
De garde tikte tegen de rand.
Ting ting ting.
Er spatte een druppel op de tafel.
Mila keek naar de klok.
"Nog acht minuten."
De spanning zat in de kom.
En een beetje in de buik van het kind.
Het humeur van Sam zakte.
"Dit wordt niks."
"Wel", zei het kind.
Dat wist het kind niet zeker.
Maar iemand moest het zeggen.
Ze deden melk erbij.
Niet zomaar veel.
Een klein scheutje.
Een beetje.
Roeren.
Wachten.
Nog eens roeren.
Het beslag werd gladder.
Niet helemaal glad.
Wel goed genoeg.
De eerste pannenkoek werd bleek.
De tweede werd donker.
De derde zag eruit als Nederland.
"Die is voor meester Otto", zei Sam.
Toen lachte iedereen.
Dat hielp.
De uitdaging werd kleiner.
Bij het proeven zei meester Otto: "Interessante vorm."
"Het is een landkaart", zei het kind.
Meester Otto nam een hap.
"Dan is het een lekkere landkaart."
Daarna durfde het kind zelf ook te proeven.
Warm.
Zacht.
Een beetje scheef.
Precies goed.
Sam keek naar de laatste pannenkoek.
"Die lijkt op een sok", zei Sam.
"Dan eten we die snel op", zei het kind.