Voor groep 4
Voorpret met plakhanden
Lieve oma,
Morgen kom je eten.
Dat weet je al.
Maar ik schrijf toch.
De voorpret begon vandaag.
Mama zei: "We bereiden de appeltaart voor."
Daarna zei mama: "Eerst alles voorbereiden."
Dat klonk als een plan.
Eerst lag alles op tafel.
De tafel kreeg witte vlekken.
Dat was bloem.
Hoopte ik.
Bloem.
Suiker.
Appels.
Een kom.
En ik.
Ik mocht het beslag maken.
Of deeg.
Het leek eerst op kruimels.
Daarna op nat zand.
Daarna eindelijk op iets taartigs.
Mama zei dat taart soms moeilijk doet.
Mijn handen plakten meteen.
Dat was prettig en vies tegelijk.
De keuken werd knus.
De lamp boven de tafel was aan.
De radio stond zacht.
Buiten regende het.
Binnen tikte de oven al zacht.
Ik sneed geen appels.
Dat deed mama.
Ik mocht kaneel strooien.
Niet te veel.
Dat is bij kaneel blijkbaar belangrijk.
Daarna mocht ik reepjes deeg leggen.
Fraai, zei mama.
Ik vond scheef ook een woord.
Maar fraai klonk beter.
De taart ging nog niet in mijn mond.
Dat was lastig.
Je ruikt iets lekkers.
En dan moet je wachten.
Dat is bijna sport.
Morgen gaan we genieten.
Vandaag heb ik alleen de lepel afgelikt.
En één kruimel.
Misschien twee.
Voor controle.
Groetjes van het kind