Voor groep 4
Een beker met wortels
Het kind kreeg het kleinste stekje.
Dat vond het kind eerst oneerlijk.
Op tafel stonden drie bekers.
Die van Sam had twee blaadjes.
Die van Noor hing bijna over de rand.
Het stekje van het kind was iel.
Eén dun steeltje.
Twee blaadjes.
En aarde die miezerig rook.
"Het leeft wel", zei juf Noor.
Ze zei het voorzichtig.
Alsof het stekje kon schrikken.
Het kind tikte niet tegen de beker.
Teer is niet hetzelfde als zielig.
Dat had juf Noor net verteld.
Elke dag kwam er een streepje op de beker.
Maandag: bijna niets.
Dinsdag: nog steeds bijna niets.
Woensdag zag het kind iets wits.
Onder tegen het plastic.
"Wortelen!" riep Sam.
"Niet aan mijn plant schreeuwen", zei het kind.
Sam grijnsde.
De witte draadjes werden langer.
Niet snel.
Planten hebben blijkbaar geen haast.
Vrijdag was het stekje nog steeds klein.
Maar het stond rechter.
Het leek niet meer verloren.
Juf Noor zette er een fors zonnebloemblad naast.
"Groot was ook ooit klein", zei ze.
Dat klonk als een juf-zin.
Maar deze keer klopte de zin.
Het kind tekende het stekje op ware grootte.
Niet groter.
Niet mooier.
Precies zoals het was.
Onder de tekening schreef het kind:
klein, maar bezig.