Voor groep 4
Het potje met stippen
Ik zet mijn neus bijna tegen het potje.
"Niet erin", zegt juf Noor.
Dat wilde ik ook niet.
Bijna niet.
In het potje ligt kikkerdril.
Het lijkt op doorzichtige kralen.
"Het is glibberig", zegt de juf.
Mijn vinger mag er niet in.
Dat is jammer en ook logisch.
Naast het potje ligt een vergrootglas.
Ik kijk erdoor.
Het glas kan vergroten.
Ineens zijn de stipjes groter.
Mini-komma's in een wiebelige jas.
Pietepeuterig, maar niet saai.
"Krioelen ze al?" vraagt Mees.
"Nog niet."
"Wanneer dan?"
"Als ze poten willen."
Mees vindt dat een goed antwoord.
Op de rand van de tafel loopt een insect.
Zonder toestemming.
Het is kleiner dan een kruimel.
Door het glas lijkt het bijna fors.
Het insect stopt bij mijn gum.
Alsof de gum een berg is.
Ik schuif mijn schrift weg.
Heel langzaam.
Het insect loopt verder.
"Je redt het", fluister ik.
"Tegen wie praat je?" vraagt Mees.
"Tegen iets kleins."
Op het etiket staat het kind.
Juf Noor zet het potje in de vensterbank.
"Morgen kijken we weer."
Ik hoop dat de stipjes dan bewegen.
Niet te veel.
Gewoon genoeg om te zien.
Groot begint blijkbaar heel klein.