Voor groep 7
De tak die nergens paste
Voor geschiedenis moesten we een stamboom maken.
Niet met echte takken.
Dat zei meester Bram erbij, omdat hij groep 7 kende.
Ik ben het kind, en thuis lag meteen de hele tafel vol namen.
Mama schreef de roepnaam van oma op.
Die was Zus.
Niet omdat ze zo heette, maar omdat iedereen haar vroeger zo noemde.
Dat vond ik verwarrend, maar ook handig.
Een naam kon dus een soort jas zijn.
Papa vertelde een anekdote over een voorouder die bakker was.
Volgens hem kon ik van die man afstammen.
Ik keek naar mijn broodtrommel.
Die leek niet onder de indruk.
Op internet vonden we een oud familiewapen.
Er stond een leeuw op met een zwaard.
Dat leek indrukwekkend, tot mama zei dat veel families zoiets verzonnen.
Mijn genen voelden meteen minder ridderlijk.
De volgende dag hing iedereen de stamboom op.
Bij Mees stonden veel lijnen door elkaar.
Een aangetrouwd familielid hier, een schoonzus daar, ergens een zwager.
"Mijn papier is te klein", zei Mees.
Dat was geen grap.
Het ouderlijk huis van opa paste er ook nog bij.
En een traditie met pannenkoeken op vrijdag.
Ik zag ineens dat verwantschap niet netjes in hokjes blijft.
Sommige families waren hecht.
Sommige ingewikkeld.
Sommige allebei.
Ik tekende bij mijn eigen stamboom een losse tak naast de rand.
Meester Bram vroeg wat dat was.
"Voor mensen die erbij horen, maar niet passen", zei ik.
Hij knikte.
Alsof dat misschien de eerlijkste tak was.